EIGENAARSCHAP VAN LEERLINGEN

7 tips voor het invoeren van een flexibel rooster

7 tips voor het invoeren van een flexibel rooster
V.l.n.r.: Rik, Jan Boogaard, Kees van den Brink en Loïs

In 2017 startte het Corderius College met een flexrooster. Nu, vijf jaar later, wil de school niet meer zonder. Er is veel bereikt. Maar tevreden? Dat is de school nog niet. Het invoeren van flexuren blijkt een hobbelige weg. Schoolleider Kees van den Brink en docent Jan Bogaard delen hun tips. “Zelfstandigheid komt niet vanzelf.”

Passieve houding

De passieve houding van leerlingen was aanleiding om in 2017 te starten met het flexrooster. “Consumentengedrag”, noemt plaatsvervangend rector Kees van den Brink deze houding. “Aantekeningen maken? Een agenda bijhouden? Leerlingen begrepen niet waarom ze dat zouden doen. Ze kregen toch alles digitaal?!”, vertelt Kees. Dat moest anders.

Stimuleren van zelfstandigheid

De school startte in 2017 met één flexuur per dag in het rooster. Kees: “Flexuren nodigen leerlingen uit om zelfstandiger te zijn en meer verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen ontwikkeling. Ze moeten zelf een plan maken voor de dag en bepalen voor welke vakken ze extra ondersteuning nodig hebben.” Tijdens het dagelijkse flexuur werkten leerlingen zelfstandig in het lokaal van een docent naar keuze.

Lees hier hoe het Corderius College het invoeren van het flexrooster aanpakte in 2017.

Van 1 naar 3 flexuren per dag

Eén flexuur per dag bleek niet ideaal. Veel klassen zaten tijdens het flexuur bomvol. Bovendien kregen leraren leerlingen van verschillende niveaus voor zich. Inmiddels telt het rooster vijftien flexuren per week en volgen leerlingen wekelijks minimaal vijf flexuren. Doordat leerlingen op verschillende momenten kiezen voor een flexuur, zijn de klassen minder vol. Kees: “We zijn heel positief over deze verbetering.”

40-minuten rooster

Er zijn ook uitdagingen. Om ruimte te maken voor de extra flexuren is de school overgestapt op een 40-minuten rooster. Leraren en leerlingen vinden de kortere lessen vervelend. Leerling Rik (6 vwo): “We hebben meer lessen op één dag. Het kost veel energie om steeds te moeten schakelen.” Leraren kunnen sinds kort aangeven of ze blokuren van 80 minuten willen. Veel maken daar gebruik van. Docent Jan Bogaard: “Keuzevrijheid werkt. Een 80-minuten les vraagt een andere didactiek.” Leerling Loïs (4 vwo): “Het is heftig om 80 minuten je aandacht erbij te houden.”

“Zelfstandigheid komt niet vanzelf door het invoeren van flexuren”

De effectiviteit van flexuren

De effectiviteit van de flexuren is nog niet optimaal, vertellen Kees en Jan. “Het vraagt nogal wat van leerlingen om een bewuste keuze te maken voor een goede invulling van de flexuren”, legt Jan uit. “We zien dat ze liever bij vrienden zitten, of bij een docent die minder streng handhaaft. Bovendien moeten ze wel hun prioriteiten op orde hebben om een weloverwogen keuze te maken voor de flexuren. Veel leerlingen vinden dat lastig.” Kees vult aan: “Er zijn leerlingen die floreren bij de keuzevrijheid van het flexrooster, maar er zijn ook leerlingen die geholpen moeten worden om betere keuzes te maken en kansen te benutten.”

Groter beroep op coachingsvaardigheden

Het flexrooster doet een groter beroep op de coachingsvaardigheden van leraren. Jan: “Om de flexuren effectief te kunnen invullen, is het belangrijk dat leerlingen weten wat ze voor een vak moeten doen. Daarvoor hebben ze feedback nodig en een goede studiewijzer. Als docent moet je je arsenaal aan vaardigheden uitbreiden.”

“We willen niet meer zonder flexuren”

Hoe nu verder?

Voor Kees, Jan, Rik en Loïs is één ding zeker: ondanks alle uitdagingen willen ze niet meer zonder het flexrooster. De leerlingen vinden het fijn dat ze hun tijd efficiënter kunnen gebruiken. Loïs: “Tussenuren zijn geen verloren uren meer, ik zet ze nu in als flexuur.” Kees ziet dat er door de flexuren ook verrijkende activiteiten als een cursus Japans en debatteren worden aangeboden. Daar zijn leraren en leerlingen heel enthousiast over. Kees: “Daar spat de motivatie vanaf. De flexuren bieden een scala aan mogelijkheden.” Jan vindt de flexuren belangrijk om leerlingen voor te bereiden op het vervolgonderwijs: “Daar worden zelfstandige leerlingen verwacht. Het flexrooster is daar een goed middel voor.” En hoewel juist die zelfstandigheid lastig blijkt voor leerlingen, is hij ervan overtuigd dat alle leerlingen op termijn beter af zijn met de flexuren. “Je moet ze gewoon goed begeleiden.”

Labels: vakflex, samenflex en stilteflex

De school gaat dan ook gestaag verder met de doorontwikkeling van het flexrooster. Alle leraren worden opgeleid in didactisch coachen. Daarnaast hebben alle flexuren labels: deze geven aan wat er in het flexuur van de leerling wordt verwacht. Kees: “De labels zorgen ervoor dat leraren het flexuur écht kunnen inzetten om leerlingen extra ondersteuning te bieden.”

  • Vakflexuur: leerlingen werken verplicht aan het vak van de docent bij wie het flexuur wordt gevolgd. Er is ruimte om vragen te stellen. Soms geeft een docent van tevoren aan wat hij of zij gaat bespreken.
  • Samenflexuur: leerlingen werken samen aan een opdracht. Er mag worden overlegd.
  • Stilteflexuur: leerlingen werken zelfstandig en in stilte.

Leerlingen Rik en Loïs zijn enthousiast over de labels. Loïs: “Je merkt dat leerlingen die vragen hebben over een vak echt gebruik maken van de vakflexuren. En omdat de klassen minder vol zijn, is er nu echt ruimte voor persoonlijke aandacht van een leraar. Die aandacht motiveert mij.”

“Persoonlijke aandacht tijdens het flexuur motiveert”

One size fits not all

Volgens Jan is een andere, mogelijke verbeteractie het minder vrijlaten van leerlingen. “We laten nu alle leerlingen vrij in de invulling van de flexuren. Maar zoveel keuzevrijheid is te veel one size fits all”. Volgens hem mag het aantal flexuren afhangen van hoe goed een leerling ervoor staat. Jan: “Dat leerlingen flexuren kunnen verdienen. Of we kunnen bijvoorbeeld differentiëren per niveau of jaarlaag.” Leerling Loïs voelt daar wel wat voor: “Het aller-ideaalst is als ik zelf kan bepalen hoeveel flexuren ik heb.”

‘Wie het weet, mag het zeggen’

Kees vindt het belangrijk dat in de lerarenteams wordt nagedacht over verbeteracties. Kees: “De eerste jaren zocht ik naar oplossingen om weerstand tegen het flexrooster te verminderen. Inmiddels zijn we in de fase dat de beste ideeën vanaf de werkvloer komen.” Kees houdt zich nu vooral bezig met het begeleiden van de teams om samen tot verbeteracties te komen en daarover consensus te bereiken. Kees: “Ik wil het gesprek over het flexrooster blijven faciliteren. Allemaal in de sfeer van: ‘wie het weet, mag het zeggen, docenten en leerlingen samen’. Als een team een goed idee heeft, gaan we het gewoon proberen.”

7 tips van het Corderius College voor het invoeren van flexuren

  1. Denk goed na over hoe je begint. Door te starten met het aanpassen van het rooster, ontstaat er urgentie voor leraren en leerlingen om zich te ontwikkelen in het werken met een flexrooster. Maar beginnen met het scholen van leraren kan ook: didactisch coachen en het werken met studiewijzers zijn bijvoorbeeld belangrijk voor de effectiviteit van de flexuren.
  2. Bied meerdere flexuren op een dag. Eén vast flexuur per dag in het rooster werkt snel beknellend. Leerlingen hebben weinig ruimte om zich te verspreiden over verschillende lokalen. Het gevolg: volle klassen en weinig ruimte voor individuele ondersteuning.
  3. Geef flexuren een label: deze geven aan wat er tijdens een flexuur van leerlingen wordt verwacht. Zo kunnen de uren effectiever ingezet worden.
  4. Houd rekening met een verandering van de lessen. Veel scholen met een flexrooster stappen over op een 40-minutenrooster en blokuren van 80 minuten. Dit vraagt een andere didactiek dan lessen van 45 of 50 minuten en betekent voor leraren een aanpassing van hun lessen.
  5. Differentieer. Flexuren werken anders voor brugklassers dan voor leerlingen in de bovenbouw. Geef lerarenteams de ruimte en het vertrouwen om de flexuren voor hun leerlingen in te vullen op een manier waarvan zij denken dat het werkt. Het inrichten van kleinere teams kan behulpzaam zijn.
  6. Blijf monitoren en verbeteren. Vraag regelmatig feedback aan leraren en leerlingen. Betrek hen beide bij het bedenken van verbeteracties. Gebruik bijvoorbeeld het actie-onderzoek voor leerlingen.
  7. Stimuleer lerarenteams om tot verbeteracties te komen. Richt je als schoolleider op het faciliteren en begeleiden van de teams, in plaats van zelf oplossingen aan te dragen voor de uitdagingen die ontstaan. Help hen bijvoorbeeld om consensus te bereiken.

Download hier alle tips in een handige PDF!

Deel dit bericht